Wat (mede)zeggenschap je leert, een blik terug en vooruit van een expert
Halverwege zijn werkzame leven kijkt Theo Profijt terug op de vraag waar het allemaal begon: wanneer werd de kiem gelegd voor zijn interesse in medezeggenschap en zeggenschap? Het antwoord ligt in zijn eerste baan, midden in een grote reorganisatie, waar hij als beleidsmedewerker medezeggenschap onderzocht wat de veranderingen zouden betekenen voor medewerkers. Juist daar ontdekte hij hoe belangrijk het is dat mensen kunnen meedenken, meepraten en waar mogelijk zelfs mee sturen.[4]
Die ervaring maakte meteen duidelijk wat medezeggenschap in de kern kan betekenen. Niet alleen formele inspraak, maar een plek waar onzekerheden, zorgen en deskundigheid samenkomen. Wie serieus wordt genomen, voelt zich erkend in wat hij weet én in wat hij nog niet zeker weet. Dat is, zoals Theo het verwoordt, van grote waarde voor mensen en voor organisaties.[2][4]
Meer dan een procedure
Theo benadrukt dat medezeggenschap alleen werkt als het authentiek is. Wanneer participatie vooral een checklist wordt, of wanneer betrokkenheid gespeeld aanvoelt, ontstaat juist weerstand en wrijving. Maar als leidinggevenden en medezeggenschap elkaar echt opzoeken, ontstaat ruimte om de kwaliteit van besluiten te verbeteren en veranderingen beter vorm te geven.[5][2]
Daarmee raakt het gesprek aan een belangrijk punt: medezeggenschap is niet alleen bedoeld om het medewerkersbelang te beschermen. Het is ook een manier om de belangen van de organisatie, de continuïteit en de kwaliteit van de dienstverlening mee te wegen. In de zorg sluit dat aan bij het idee dat professionals en belanghebbenden invloed moeten hebben op beleid dat hen raakt, nu en in de toekomst.[3][2]
Empathie als vakmanschap
Volgens Theo vraagt goede medezeggenschap om empathie, goede vragen en goed luisteren. Dat geldt voor medezeggenschapsorganen, maar net zo goed voor bestuurders en leidinggevenden. Niet alleen het eigen standpunt telt; ook het perspectief van anderen moet serieus worden onderzocht.[2][5]
Dat betekent niet dat medezeggenschap alles moet oplossen of dat iedereen het altijd eens moet zijn. Wel betekent het dat je ruimte maakt voor echte uitwisseling en dat je belangen niet langs elkaar heen laat lopen. Juist daarin schuilt de kracht van dialoog: het vergroot wederzijds begrip, verbetert de kwaliteit van het gesprek en helpt om beter onderbouwde keuzes te maken.[1][2]
Waarom het nog niet vanzelf gaat
Op de vraag waarom medezeggenschap en participatie niet allang verder zijn ontwikkeld, is Theo helder: mensen vermijden nu eenmaal graag lastige situaties. We zijn snel geneigd om te accepteren dat er over ons wordt beslist in plaats van met ons, terwijl we als sociaal wezen juist graag samen dingen willen bereiken.[4]
Ook ziet hij dat we nog vaak worden opgevoed in systemen waarin doorpakken belangrijker lijkt dan samen betekenis geven. Dat kan leiden tot een cultuur waarin besluitvorming van bovenaf domineert. Toch ligt daar volgens hem niet de toekomst. De toekomst zit juist in meer wederzijds perspectief, meer menselijkheid en meer besef van wat het betekent om in een andere positie te zitten.[2][4]
Tussen tempo en vertraging
Tegelijk is Theo niet dogmatisch. Hij ziet dat organisaties soms tempo moeten maken, zeker wanneer de situatie daarom vraagt. Als klanten weglopen of de druk hoog is, is er minder ruimte voor uitgebreide reflectie. Dan moet je soms gewoon handelen. Maar ook dan blijft de vraag belangrijk of je de goede dingen doet, en of je oog houdt voor de langere termijn en voor de mensen die het werk moeten uitvoeren.[4]
Die balans tussen daadkracht en dialoog is volgens hem essentieel. Goede medezeggenschap vertraagt niet om het vertragen, maar helpt om besluiten beter te maken. Het gaat om de juiste mix per situatie: soms snel schakelen, soms eerst samen betekenis geven, en vaak beide in de juiste volgorde.[5][2]
Wat over twintig jaar anders moet zijn
Als Theo vooruitkijkt, noemt hij vooral de onderlinge omgang in kleinere gemeenschappen. Individualisering heeft ons sterk op onszelf gericht, terwijl juist meer verbinding en wederzijds begrip nodig zijn. Hij ziet kleine initiatieven ontstaan, maar benadrukt dat verandering tijd kost. Toch is hij optimistisch: wie volhoudt, kan echt verschil maken.[4]
Dat past bij de gedachte dat medezeggenschap niet alleen een formeel systeem is, maar ook een cultuurvraag. Waar mensen elkaar weten te vinden, ontstaat meer regie, meer betrokkenheid en meer draagvlak. En dat maakt organisaties uiteindelijk niet alleen menselijker, maar vaak ook beter.[3][1]
Waardevoller voor de mens
Theo’s verhaal laat zien dat medezeggenschap niet begint bij regels, maar bij de wil om elkaar serieus te nemen. Het is een vak van luisteren, verbinden, doorvragen en samen verantwoordelijkheid dragen. Wie dat goed doet, maakt verandering niet alleen beheersbaarder, maar ook waardevoller voor mens, organisatie en maatschappij.
